November 4, 2022

Sybren Polet [Sybe Minnema] (Netherlands) 1924-2015

Sybren Polet [Sybe Minnema] (Netherlands)

Sybren Polet is the pseudonym of Sybe Minnema, who was born in Kampen in 1924. Although counted among the Fiftiers, Polet was somewhat of an outsider within the group. His poems were distinguished from the start by a more explicit and complex imagery. Both a poet and a novelist, he traveled extensively, and the early 1950s found him living in Stockholm, where he made translations of modern Swedish poetry and a number of Strindberg’s plays, besides editing two very early anthologies of science fiction.
     Polet’s poetry, in fact, derives some of its major themes from the sphere of speculative fiction—principally the concepts of metamorphosis and rebirth. One of his books of poetry, Geboorte-Stad (Native Town) bears Paul Éluard’s phrase, “Our birth is perpetual,” and another of Polet’s books, Persson/Onpersson (Person/Unperson) Virginia Woolf’s pronouncement: “I am made and remade continually. Different people draw different words from me.” These notions are connected as well to a social consciousness, a sense of one’s fellow man as another “I.” Polet’s techniques of objectivism and his complex verbal transformations at times parallel methods of modern technology, in an attempt to abolish the difference between poet and apoetic spheres of language.


Demiurgasmen (Amsterdam: U. M. Holland, 1953); Organon (Amsterdam: U. M. Holland, 1958); Geboorte-Stad (Amsterdam: De Bezige Bij, 1958); Lady Godiva op scooter (Amsterdam: De Beuk, 1960); Konkrete poëzie (Amsterdam: De Bezige Bij, 1962); Persoon/Onpersoon (Amsterdam: De Bezige Bij, 1971; Illusie + Illuminatie (Amsterdam: De Bezige Bij, 1975); Gedichten I (Amsterdam: De Bezige Bij, 1977); Taalfiguren 1 + 2 (Amsterdam: De Bezige Bij, 1983); Tallfiguren 3 + 4 (Amsterdam: De Bezige Bij, 1995); Gedichten 1998-1948 (Amsterdam: De Bezige Bij, 2001); Het and ooohhh van de verbonaut (Amsterdam: Weraldbibliotheek, 2014)

Masjienale gedichten VII

Roep nu de dieren,
roep ze, roep ze
allen: de metalen muis, het lieve hert van tin,
de kinderen en de 1000 kleine olifantjes van plastic,
roep ze, roep ze en laat ze allen

En het licht,
roep ook het licht, roep
de elektries opgewonden zon met zijn vele vele branduren
zijn gouden torren en vlinders
zijn sterren aan de bomen
zijn wolken onder de bomen
en vergeet de wind niet
de wind met zijn zachte gezicht
zijn gezicht van mensenhaar,
roep ze, roep ze allen en laat ze
spelen spelen

Indien ik het geloof had van een robot
en het harde geduld van een rekenmasjiene
ik werkte de aarde gelukkig,
ik werkte de aarde gelukkig en ieder mens
een beter ketter

Indien ik de wil had van een wals
en die vitalitiet van een pletmasjiene
ik strekte mijn stalen arm
ik strekte mijn lévende arm

en sloeg de aarde gellukig—

(from Organon, 1958)

Machine Poems, VII

Call the animals now
call them, call them
all: the metal mouse, the dear tin deer,
the children, and the 1000 small plastic elephants,
call them, call them and let them all

And the light,
call the light too, call
the electrically wound sun with its many many
hours of burning
its golden beetles and its butterflies
its stars on the trees
its clouds under the trees
and don’t forget the wind
the wind with its soft face
its face of human hair,
call them, call them all and let them
play, play

If I had a robot’s faith
and the hard patience of a calculator
I would make the earth happy,
I would make the earth happy and every man
a better heretic

If I had the will of a waltz
and a steamroller’s vitality
I would stretch my arm of steel
I would stretch my living arm

and breath the earth happy—

--Translated from the Dutch by André Lefevere


Diezelfde dag nog,
toen wij samen
op een straathoek stonden te regenen,
langzaam maar zeker verkleurend
in een wereld vol tochtige voorbijgangers voorgijgangers
—het asfalt kefte als een fiets; drie vier
slanke fosforvogels zweefden geruisloos uit een openstaade etalage;
in trams vol rijzige paddestoelen weerlichtte het
en ergens brulde een enorme foto, met een mond als een hond
‘Sta stil; wil!’—diezelfde dag nog,
met een geraas als van ijzerwater
en armen van krijsend licht
brak een der hartstochtelijke
metalen zonnen door. Toen,
de eeuwenoude bomen van geboorte, huizen van vless en
bomen onpasselijk van geboorte, haringstalletjes, lantarens,
wijze vreemdelingen,
vreemdelingen wijzer dan alle bomen van geboorte—
vergeestelijkte standsmeeuwen, standbeelden als dode akterus
onwettige agenten.
alles wat in een 1-sekonde stad is te zien
ving aan te trillen
en ik herkende het niet.
Ik herkende het niet; ik herkende niets;
ik had mijn schaduw verloren
als de stad zijn verliefde konkrete muziek.

Hij zag nog
hoe voetgangers vloeiden die hij herkende
in elkaar, wazig, tevreden pratend
met de ogen van een ander. Het regende ogen. Hij zag het; motoren,
luidkeelse engelen zelf, wiekten als hem vreemde verbaasde
engelen hun eigen gele verschijningen
voorbij; de doden stonden op; standbeelden stonden op; wandelden,
die nooit gelopen hadden, over de perken, lichtten
hun hoed op, die nooit geleefd hadden.

En plotseling had iedereen te eten: vuur, geest, meer vuur; steen-
te drinken.—Toen, als laatste
ook de stationsklok verhief zich, sirkelde stralend
de hemel in, met een gezicht als een hyacint,
een gezicht als een vroeg grijze, vroeg kalende zon...

De droevige masjienes bleven nog even onweren.
Daarna werd het stil;
stil.—Diezelfde dag nog, als enig onzichtbaar overlevende
liep ik verder, de heuvels in,; ik regende;
ik speelde met een idee. Ik was
een bijna vloeibare, nutteloze gedachte.

(from Geboorte-stad, 1958)


That very same day
while we stood raining together on a
street corner, shivering,
hanging around,
slowly but surely fading
in a world full of drafty passers-by passers-by
—the blacktop barked like a bike; three or four slender
phosphoric birds soared soundlessly out of an open show window;
it lightninged in streetcars full of towering mushrooms
and somewhere an enormous picture with a mouth like a dog
bawled “Stand still; will!”—that very same day,
with a roar like ironwater
and arms of shrieking light
one of the passionate
metal suns broke through. Then
the age-old trees of birth, houses of flesh and blood,
trees sick with childbirth, herring stands, streetlights,
wise strangers,
strangers wiser than all the trees of birth—
etherealized city gulls, statues
like dead actors, illegal policemen,
everything there is to be seen in a 1-second city
began to vibrate and I
couldn’t make it out.
I couldn’t make it out: I could make out nothing:
I had los my shadow,
like a city its lovesick concrete music.

He could still see
the pedestrians he could make out flowing
into each other, blurred, contentedly talking
with another’s eyes. It rained eyes. He saw it; motors,
rowdy angels themselves, winged like surprised alien-to-him
angels past their own sulphuric manifestations;
the dead rose up; statures rose up; walked
who never had walked, across the flowerbeds, lifted
their hats, who never had lived.

And suddenly everyone had food: fire, spirit, more fire; stone—
and drink.—Then, last of all,
the station clock too alofted itself, circled radiantly
into the sky, with a face like a hyacinth,
a face like a prematurely gray, balding sun...

The sad machines went on thundering for a while,
then there was silence;
silence.—That very same day, the only survivor invisible,
I walked on, into the hills; I rained;
I toyed with an idea. I was
an almost futile, fluid thought.

Translated from the Dutch by James S Holmes


Mijn poëzie is beïnvloed door het marktwezen, door de krant
:papieren vrede, oorlogen van telex en annex—
uw taal is mijn konkrete muziek is mijn spraak.

Green openbaringen bezit ik
anders dan die van de toekomstroman;
uw wetenschappelijke dromen zijn mijn geloof,
en mijn lachend ongeloof.

Hoewel ik in kontakt sta met het water
mijd ik het hoger vliegend vuur niet
en beweeg mij graag door een hemels woud
van aardse benen.

Ik ken die mij herkent: innerlijke fotografie.
Onder het knippen van mijn pupil gaat het doodste beeld leven.
Maar het beeld dat spreekt spreekt met uw mond: ik wórd gesproken.
En ik geloof erin omdat ik het geschreven heb.

(from Konkrete poëzie, 1962)


My poetry is influenced by the stock market, newspapers
: paper peace, wars of figures and batteries—
your idiom is my concrete music is my speech.

I have no revelations
but those of the futuristic novel;
your scientific dreams are my faith
and my sniggering lack of faith.

Though I’m in contact with the water
I do not shun the higher-flying fire
and preferably move through a celestial wood
of very terrestrial legs.

I know those who recognize me: inner photography.
At the snap of my pupil the deadest image comes to life.
But the image that speaks speaks through your mouth: I am spoken.
And I believe in its because I’ve written it.

Translated from the Dutch by James S Holmes


Ik zeg. Zeg niets. Niets zeg ik dan: Wij. Het splijt
dikwijls maar is, immers heeft een soort. gewicht
van 34.3, atoomnummer 2 : 2 protenen (jij
en ik), 2 neutronen (?) en een heel kleine neutrino.
Onder het uitzenden van een λ-deeltje
ontwikkelen wij een zo sterke erotiese warmte
—gelijk aan zes volledige echtparen in hun eerste graad
van kennismaking—dat wij materiemystici oplossen
in licht. Neutraal is de witheid
die niets omringt, niets is, niets
Geen astrofysikus zweeft voorbij. Geen supersoniese engel
ruist. –Geen adem, geen adat, geen Adam.

(from Konkrete poëzie, 1962)

We Matter

I say. Say nothing, I say nothing but: We. It often
fissions but is, for it has a sp. gravity
of 34.3, atomic number 2 : 2 protons (you
and I), 2 neutrons (?), and a very small neutrino.
While emitting a λ particle
we develop so much erotic heat
—the equal of six complete married couples in their first degree
of acquaintanceship—that we matter-mystics dissolve
in light. Neutral is the whiteness
that surrounds nothing, is nothing, wills
No astrophysicist drifts past. No supersonic angel
rustles.—No atom, no adept, no Adam.

—Translated from the Dutch by James S Holmes



Ik ken (vermoed hem wel—
wellicht draagt hij een Audium hoorbril 1200,
uitgerust met 3 weerstandgekoppelde transistors
en een zeer gevoelige luisterspoel,
zo hoort hij mij op grote/normale afstand.
Zijn stem (Wow & Flutter minder dan 0.1% bij
5000 Hz / Rumble & Hum verwaarloosbaar
is helder en doordringend,
ook als hij raast, tiert, zingt, vloekt, boert,
of over door de regering gevorderde radio-
zendtijd beschikt. En ook wellicht
—of vrijwel zeker—met zijn fijngeslepen kontaktlenzen
(dioptrie -12 / -14)
ziet hij mij (ziet mij, want kent geen abstrakties),
hij Allesziener, Alleshoorder, Allesdenker,
en ik, eigenwijsgerig, denk
dat ik hem denk. Ik ken (vermoed) hem wel.


Hij, vele malen sterker dan ik—mijn gekompliceerdheid
een vouw in zijn eenvould / zelfs mijn ademhaling
verwekt komplikaties—vele malen slimmer want
nog meer verwisselbaar hij
wisselt 10 x per dag van beroep, 5 x
von roeping, 20 x van karakter,
3 x van huid—
zo, nooit dezelfde
blijft hij eeuwig zichzelf, ik ken him wel.

Met zijn dagelijkse dosis sylmpatine
die mij doet opveren van sympatie,
zijn geest die niet bevriest
na toevoeging van anti-vries,
na toevoegning van anti-ddo—

die leeft na 10% iks,
hij blijft/is/wordt die hij is:
(Juist!) Mr. X.

(from Persson/Onpersoon, 1971)



I know (forsee) him—
perhaps he wears an Audium earglass 1200,
with transistors equipped with 3 resistors
and a highly sensitive receiving coil,
so he hears me from great/normal distance.
His voice (Wow & Flutter less than 0.1% at
5000 Hz/Rumble & Hum negligibly
is clear and penetrating,
even when he raves, rants, sings, swears, belches,
or disposes of air-time advanced
by the government. Or perhaps even
—or almost certainly—with his finely ground contact lenses
(dioptric -12/-14)
he sees me (sees me, for he ignores abstractions),
and I, persistologically, think
that I think him. I know (forsee) him.


He, many times stronger than I—my complexity
a crease in his simplicity/even my breathing
creates complications—many times smarter since
more interchangeable he
changes occupation 10 x a day, vocation
5 x, character 20,
skin 3 x—
so, never the same
he always remains himself, I know him.

With his daily does of sympatine,
which makes me bounce with sympathy,
his mind that doesn’t freeze
after adding antifreeze,
after adding antideath—

who lives after 10% of eks,
he remains/is/becomes who he is:
(Right!) Mr X.

-Translated from the Dutch by James S. Holmes and Peter Nijmeijer


Ik heb mijn vader in de wieg gelegd,
hem gebed, gebaad, de speen gegeven.
Hij groeide, een vleesboom gelijk, sneller dan ik,
zich volzuigend aan verleden.
Hij sliep mijn slaap, droomde zijn onrustige dromen
in mij, mij overrompelend met zijn menselijkheid.

Ik wiegde hem zoals men zijn liefste voorouder wiegt,
kuste zijn lkeine kale hoofd, neuriede
volksmelodieën die als moderne muziek klonken,
maar hoe jeugdiger hij was/werd, bij ieder nieuw
ontwaken werd hij mijn toekomst, sneller
dan ik kon groeien on ontwaken.

Ik deed hem schoolgaan, strafte hem
voor zijn lichtzinnig godgeloof, zijn huwelijkstrouw,
die elke heregeboorte verhinderde of te vroeg dateerde;
ik sloeg hem om zijn voorbeeldige goedheid,
hem bijna smekend om zijn ongelijk, zijn oude
al te tijdelijke eeuwigheid.

Hij were een man (als ik), at (als ik),
huwede (als ik) en deed mij definitief geboren worden
die tegenspartelend niet wilde: hij zij gestraft;
hij zij gestraft met een volmaakt geluk
in een hiervoormaals dat hem toekomt; vader
van vier gelovigen: zijn deel: een tuin vol hemels kinder-
speelgoed, een jongensfiets, vier sigaretten van gezondheid
voor elke vrije dag, een derde glazen oog bij wijze van vergrootglas,
wat ekstra erotiek voor’t weekend en daarna
een eeuwigdurend toekomstpensioen.

Hij zij gestraft die deze man ooit kwaad zal doen.

(from Illusie & illuminatie, 1975)


I put my father in his cradle,
tucked him in, gave him his bath, his pacifier.
He grew, like a tree of flesh, faster than I did,
he sucked himself full of the past.
He slept my sleep, dreamed his unruly dreams
in me, engulfed me with his humanity.

I rocked him as you would rock your dearest ancestor,
kissed his small bald head, hummed
folk melodies that sounded like modern music,
but the younger he was/became, the more
he became my future, faster each time I woke again
than I could grow or wake.

I made him go to school, punished him
for his frivolous faith in God, his conjugal fidelity
that prevented all rebirth or tamped me premature;
I smacked him for his exemplary goodness,
I almost begged him to be wrong, begged for his old
all too temporal eternity.

He grew to be a man (like me), ate (like me),
got married (like me), and caused conclusively the birth of
kicking and unwilling me: let him be punished;
let him be punished with a perfect happiness
in a before-life suited to his personality: father
of four believers: his part: a garden full of heavenly
toys, a boy’s bicycle, four cigarettes of health
for each day off, a third (glass) eye for magnifying purposes,
a bit of extra eroticism for the weekend and finally
an everlasting pension for the future and

Let him be punished who shall ever harm is man.

Translated from the Dutch by André Lefevere

Zelfepeterend gedicht
Voor Cora


De oorlog winnen en gedood worden,
ideeën me slagroom eten en omkomen van de honger,
dagwuiven met een softenonhandje en gelukkig zijn.

Kalorierijk ideeën verorberen en omkomen van de honger,
salueren met een softenonhandje en gedekoreerd worden,
de oorlog winnen en een invalide taal spreken.

Der oorlog winnen en voorgoed gedood worden,
opstandig worden en een softenonvuistjemaken,
een klein softenonvuistje maken en mekkeren als een mamma-pop.

De oorlog winnen en voorgoed een invalide taal spreken—
de mond vol woorden hebben in niet weten wat te zeggen—
de oorlog winnen en voorgoed gedood worden—


Een bril opzetten en de ogen sluiten—een bril opzetten;
mooi weer spelen me een anders leven terwijl het binnen
in fabrieken en kantoren regent—een zonnebril opzetten.

Een zonnebril opzetten voor een gezich van louter blinde vlekken,
een zonnebril opzetten en blindelings de andre kant opkijken;
een bril opzetten en voorgoed de ogen sluiten

Poëtiese knauw hauw schenken aan onderontwikkelde taalgebieden;
sociaal intensieve woorden zenden naar armlastige taalgebieden
en zelf rijker en rijker worden, aan menselijkheid en poëzie;
een zonnebril opzetten en de ogen sluiten.

De honger bestrijden met ideeën, armoede met ideeën:
ideeën van brood, van melk, van proteïne;
ideeën als een brok in de keel waarin men stikt;
een zonnebril opzetten en voorgoed de ogen sluiten—


Z’n stifttanden poetsen met pepsodent en glimlachen, glimlachen;
het water aan een psychoanalyse onderwerpen en drinken, drinken;
z’n snijtanden poetsen met pepso dent en grimlachen, grimlachen.

Koel genalyseerd water drinken en dronken worden van helderheid,
spontaan water drinken en z’n kunstgebit poetsen met pepsodent,
z’n glimlach poetsen met pepsodent en grimlachen, grimlachen.

Dag in dag uit, met een weids gebaar, de hele natuur
ten geschenke geven—voor jour!--, de hele kultuur—voor jou!--,
de hele ekonomie—vor joy, voor jou!/Dag in dag uit,

jaar in jaaar uit, de zon weggeven, de maan weggeven—vor jou!—
de bomen, het groen, het klein gedierte—foor jou! voor jou!—
de zee weggeven, de lucht weggeven—voor jou! voor jou!—

En achterlaten: skeletten-voor jou--, en achterlaten: fossielen—
voor jou--, an achterlaten: denkbeelden, dood, voor jou--,
en droombeelden, dood—voor jou, voor jou--; voor jou
z’n kunstgebit oppoetsen met pepsodent en grimlachen, grimlachen—


En: een ati-masjiene van Tinguely zien en opgelucht ademhalen,
een anti-masjiene à la Tinguely konstrueren en niet produceren,
niet produceren en niet konkurreren, maar lachen, spelen, lachen—

Een tractor de hemel insturen en de goddelijke akkers omploegen,
voren ploegen en planten: aards groen, aardappelen, graan;
een tractor de hemel insturen en de nieuwe akkers bemesten
met afval uit een voormalig bestaan. En: eten.

Eten: je eigen voorouders—kannibaal eet voorvader koloniaal—,
en oprispen: je eigen woorden, verslinden: je eigen schaduw,
en inslikken: je eigen woorden, en herkauwen: je eigen historie.

En uitspuwen: je eigen schaduw, en inslikken: jue bloedeigen woorden,
en opdrinken: je eigen tranen, en herkauwen: je eigen historie—
een tractor de hemel insuren en de oude akkers onderploegen—
een anti-masjiene konsrueren in niet konkurreren, maar lachen, spelen,


Voorspellen wat al gebeurd is, doen wat al gedaan is;
z’n leven grondig repeteren alvorens het te beginnen;
voorspellen wat al gebeurd is, zeggen wat al gezegd is.

Z’n leven grondig repeteren alvorens het te beginnen;
doen wat al gedaan is, voorspellen wat al gebeurd is;
z’n verleden grondig repeteren alvorens het te beginnen.

De doden bevechten de levenden en de levenden de overledenen;
de overlevenden bevechten de overledene als waren het levenden;
de levended bevechten de overledenen en sterven, levend—
Voorspellen wat al gebeurd is, doen wat al gedaan is.

De historie neutraliseren door anti-historie, hemel door heden,
anti-heden door utopie—
z’n leven grondig repeteren alvorens het te biginnen—
voorspellen wat niet gebeurd is, doen wat nooit gedaan is—Vrede.


Het jaar 2000. Vrede. Alle Ieren worden atheïst. Vrede.
Allen Amerikanen worden socialist. Vrede. Alle calvinisten
anarchist, alle mitrailleurbespelers clavecinist. Vrede
—De oorlog winnen en voorgoed gedood worden. (Vrede.)

Het jaar 2000. Vrede. Geen menseneter eet meer mensenvlees. Vrede.
Niemand sterft aan voorbesmette woorden en ideeën. Vrede.
—De vrede winnen en een invalide taal spreken. (Vrede.)

Het jaar 2000. Vrede. Blanken treden op als schaduwen van negers. Vrede.
Dieren reden op als schaduwen van engelen, beulen, engelen. Vrede.
—Een zonnebril opzetten en voorgoed de ogen sluiten. (Vrede.)

Het jaar 2000. Vrede. Kennis & krijgsmacht. Vrede. Oké of noké,
Gog en Magog, Kreti en Pleti. Vrede. Eocide of egocide. Vrede.
Ik of Iks. Urim of Tummim. Vrede.
—Voorspellen wat al gebeurdis, doen wat al gedaan is. (Vrede.)

Het jaar 2000. Vrede. Kom, zie & hoor: Samsam lezen samen de Thoran!
100 voorhuiden van Filistijen. Vrede. 100 plastic maagdevliezen. Vrede.
—Voorspellen wat niet gebeurd is, doen wat nooit voorzen is. (Vrede.)

Het jaar 2000. Vrede. Geen dolzinnige stier toetert meer tweevoeters
van de weg. Vrede. Geen luchtsirene loet. Geen kunsthaan kraait,
geen mammapop meer schriet. Alle mensen worden psychiater. Vrede.
—Doen wat nooit gedann, denken wat nooit gedacht is. (Vrede.)

Kennis of krijgsmacht. Vrede. Oké of noké, Agog of Magog, Kreti of
Pleti. Vrede
Allen realisten worden utopist, alle utopisten realist. Vrede.
—Denken wat nooit gedacht, doe wat nooit gedaanis. Vrede.
Doen wat nooit gedaan is. Vrede. Doen wat ooit gedact is. Vrede.

Vrede. Vrede.

(from Illusie & illuminatie, 1975)

Self-repeating Poem
for Cora


Winning the war and getting killed,
eating ideas with shipped cream and starving to death,
waving good-bye with a thalidomide hand and being happy.

Consuming high-calorie ideas and starving to death,
saluting with a thalidomide hand an getting decorated,
winning the war and speaking a disable language.

Winning the war and getting killed for good,
getting rebellious and shaking a thalidomide fist,
shaking a little thalidomide fist and bleating like a mamma doll.

Winning the war and forever speaking a disabled language—
having a mouthful and words and not knowing what to say—
winning the war and getting killed for good—


Wearing glasses and closing one’s eyes—wearing glasses;
playing fine weather at the expense of another man’s life
while lit rains in factories and offices—wearing sunglasses.

Wearing sunglasses on a face of nothing but blind spots,
wearing sunglasses and blindly looking the other way;
wearing sunglasses and closing one’s eyes for good.

Donating lyrical know-how to underdeveloped languages;
shipping sociointensive words to impoverished languages
and getting wealthier and wealthier oneself, in humanity and poetry;
wearing sunglasses and closing one’s eyes.

Fighting starvation with ideas, poverty with ideas:
ideas of bread, ideas of milk, ideas of protein:
ideas like a lump in the throat that makes one choke;
wearing sunglasses and closing one’s eyes for good.


Brushing one’s crowned teeth with pepsodent and smiling, smiling;
subjecting water to psychoanalysis and drinking, drinking;
brushing one’s incisors with pepsodent and smirking, smirking.

Drinking cool analysed water and getting drunk on transparency,
drinking spontaneous water and brushing one’s false teeth with pepsodent,
brushing one’s smile with pepsodent and smirking, smirking.

Day in day out, with a grand gesture, giving away
the whole of nature—for you!—the whole of culture—for you!—
the whole economy—for you, for you!/Day in day out,

year after year, giving away the sun, the moon—four you!—
the trees, the greenery, and all the minor creatures—for you!
giving away the sea, giving away the air—for you! for your!—

And leaving behind: skeletons—four you—and leaving behind: fossils—
for you—leaving behind: opinions, dead, for you—
and illusions, dead—for you, for you; polishing
one’s false teeth with pepsodent for you and smirking, smirking.


And: seeing a Tinguely antimachine and breathing freer,
constructing an antimachine à la Tinguely and not producing,
not producing and not competing, but laughing, playing, laughing;

shipping a tractor to heaven and plowing the godly fields,
plowing furrows and planting: earthly green, potatoes, corn;
shipping a tractor to heaven and dressing the new land
with waste from a prior existence. And: eating.

Eating: your own ancestors—cannibal east forefather colonial—
and burping: your own words, devouring: your own shadow,
and swallowing: your own words, and ruminating: your own history.

And spitting out: your own shadow, and swallowing: your very own words,
and drinking: your own tears, and ruminating: your own history;
shipping a tractor to heaven and plowing the old fields—
constructing an antimachine and not competing, but laughing, playing,


Predicting what happened before, doing what’s already been done,
rehearsing one’s life in detail before starting it,
predicting what happened before, saying what’s already been said.

Rehearsing one’s life in detail before starting it,
doing what’s already been done, predicting what happened before,
rehearsing one’s past in detail before starting it.

The dead fight the living and the living the dead;
the undead fight the dead as if they were the living;
the living fight the dead and die, alive—
Predicting what happened before, doing what’s already been done.

Neutralizing history through antihistory, heaven through the present
the antipresent through a utopia—
reheasrsing one’s life in detail before starting it—
predicting what didn’t happen, doing what’s never been done.


The year 2000. Peace. All Irishmen turn atheist. Peace.
All Americans turn socialist. Peace. All Calvinists
anarchists, all machinegun players harpsichordists. Peace.
—Winning the war and getting killed for good. (Peace.)

The year 2000. Peace. No maneater will still eat human flesh. Peace.
No one will die of precontaminated words and ideas. Peace.
—Winning the peace and speaking a disabled language. (Peace.)

The year 2000. Peace. Whites act as shadows for Blacks. Peace.
Animals act as shadows for angels, hangmen, angels. Peace.
—Wearing sunglasses and closing one’s eyes for good. (Peace.)

The year 2000. Peace. Millions or nillions. Peace. OK or noK,
Gog and Magog, Krethi and Plethi. Ecocide or egocide. Peace
—Predicting what happened before, doing what’s already been done.

The year 2000. Peace. Hear & see: Mosammed read the Torahn together!
1000 foreskins of Philistines. Peace. 100 plastic hymens. Peace.
—Predicting what didn’t happen, doing what’s never been foreseen.

The year 2000. Peace. No scatterbrained bull will honk twofooters
off the road anymore. Pace. No siren will wail. No artificial rooster crow,
no mama dolls will cry. All men turn into psychiatrists. Pace.
—Doing what’s never been done before, thinking what’s never been thought.

Millions or nillions. Ok or noK, Gog or Magog, Krethi or Plethi. Peace.
All realists turn into utopians, all utopians into realists. Peace.
—Thinking what’s never been thought, doing what’s never been done.
Doing what’s never been done. Peace. Dong what’s never been thought.

Peace. Peace.

Translated from the Dutch by Peter Nijmeijer


“Machine Poems, VII,” “H-Bomb,” “Theoretical,” “We Matter,” “Re-education,” "He-man," and “Self-repeating Poem”
Reprinted from Peter Glassgold and Douglas Messerli, The PIP Anthology of World Poetry of the 20th Century, Volume 6: Living Space: Poems of the Dutch Fiftiers (Los Angeles: Green Integer, 2005). (c) copyright 20205 by Green Integer.

No comments: