June 10, 2010

Bert Schierbeek


Bert Schierbeek


Bert Schierbeek and some of The Dutch Fiftiers

Bert Schierbeek [Netherlands]
1918-1996

Born in the village of Glanerbrug in 1918, Bert Schierbeek became motherless when he was young; brought by his mother’s parents in Beerta, he was schooled by his remarried father. He went to study in Amsterdam in 1940, but was forced shortly thereafter into the Resistance by the German Occupation. The experience of these bleak years led to Terreur tegen terreur (Revolt Against the Past), his sensitive 1945 first novel. After one more “conventional though nonclassical” novel, Gebroken horizon (Broken Horizon), Schierbeek branched out into innovative forms with his explosve Het Boek 1K (The Book I), the last line of which “we go forth moved into other names,” gave rise to the title for De andere namen (The Other Names), which with De derde persoon (The Third Person) completed his autobiographical trilogy.

All eight of Schierbeek’s books of prose-poetry from 1951 on, which he termed “compositional novels,” have a musical form and content—words as notes in a sound-defined imaginal context. De gestalte der stem, 1957 (The Shape of the Voice, 1977) is the first part of a mythologizing rilogy—“to give shape to what man has formed on earth, what he’s performed and deformed in it”—the other books of which are Het dier heeft een mens getekend (The Animal Has Drawn a Man) and Ezel mijn bewonder (Donkey My Inhabitant). Two books of essays consolidate the central themes of Schierbeek’s second trilogy, De tuinen van Zen, 1959 (The Gardens of Zen) and Een broek voor een octopus, 1965 (Pants for an Octopus). The latter’s deliberations on the creative process led to two other compositional novels, Een grote dorst (A Great Thirst) and Inspraak (Speak-In), both of which reproduce cinematic “jump-cut” effects with flashbacks to past eras and glimpses of alternative futures. Since then, a new brevity has distinguished his work as in De deur, 1972 (The Door), In- en uitgang (The Way In & Out), Vallen en opstaan (Falling & Standing Up), Weerwerk (Reaction), and Formentera. Several of his works have been translated into English.


BOOKS OF POETRY

Het boek 1k (Amsterdam: De Bezige Bij, 1951); De andere namen (Amsterdam: De Bezige Bij, 1952); De derde persson (Amsterdam: De Bezige Bij, 1955); De gestalte der stem (Amsterdam: De Bezige Bij, 1957); Een broek voor een oktopus (Amsterdam: De Bezige Bij, 1965); Een grote dorst (Amsterdam: De Bezige Bij, 1968); Inspraak (Amsterdam: De Bezige Bij, 1970); De deur (Amsterdam: De Bezige Bij, 1974); In- en uitgang (Amsterdam: De Bezige Bij, 1974); Vallen en opstaan (Amsterdam: De Bezige Bij, 1977); Weerwerk (Amsterdam: De Bezige Bij, 1977); Betrekkingen (Amsterdam: De Bezige Bij, 1979); Binnenwerk (Amsterdam: De Bezige Bij, 1982); Formentera (Amsterdam: De Bezige Bij, 1984); De tuinen van Suzhou (Amsterdam: De Bezige Bij, 1986); Door het oog van de wind (Amsterdam: De Bezige Bij, 1988); De zichtbare ruimte (Amsterdam: De Bezige Bij, 1993); Vlucht van de vogel (Amsterdam: De Bezige Bij, 1996)

BOOKS IN ENGLISH

The Fall (London: Transgravity Press, 1973); Shapes of the Voice, trans. by Charles McGeehan (Boston: Twayne Publihsers, Boston); Cross Roads, trans. by Charles McGeehan (Rochester, Michigan: Katydid Books, 1988); Formentera, followed by The Gardens of Suzhou, trans. by Charles McGeehan (Montreal: Guernica, 1989); Keeping It Up: The Countryside, trans. by Charles McGeehan (Rochester, Michigan: Katydid Books, 1990)


Het boek 1k

— Wat ? ! . . . Wat ? ! . . . Hahaha. . .
— Nee lieve meisjes . . . Dioermah? Poeroesjah? Ephemere? we mogen
nooit koud worden, noooit koud worden en ook niet heet . . . de hoofden koel! mannen! . . . loel voor de koelmannen met de potten op hun hoofd und ausradieren die dieren, und munter spazieren und nie vergessen die beine . . . gefallen, gefallen, gefallen, ein, zwei, drei und vier . . . aah bier . . . in my solitude immer bier für die vergangenheitenanwesenheit
— Saxofonen duisternis vullen mijn oor, lieve meisjes . . . zet de radio af!
— of wat zachter !
— De radio uit ! . . . radio uit . . . adio uit !
— Precies . . . dank je wel . . . toen ik dan van de olifant kwam bij de
vrouw van de generaal bleek tijd en ruimte opgeheven, we hieven de glazen van de generaal en de dochter en de vrouwen en de olifant en nikkers boksten een lied van ziel uit de trompetten rumba en cocacola want het geluk was eindeloos . . . Hoewel ik dus evenafsteeg kon er toch dadelijk weer opgestegen worden . . . zoals de generaal zo treffend zei: alles gaaat zijn gewone gang, de demoncratie staaat nooit stil en mijn dochter studeert nog steeds net als u . . . ma, oorlog, mijn kapitein, is een noozakelijk kwaard . . . en we leven er van en we leven er van en we leven er van . . . mijn vrouw en mijn kind, mijn dochter en ik en wij allemaal . . . want ze willen het niet de anderen, verdomme de anderen, de alle mensanderen . . . maar ze willen het ook . . . ze willen het wel . . . ze doen het wel . . . Dit zijn de dingen die niet stilstaan in de mens jongen . . . end de neger blijft zingen, zwart zingen, roetzingen, rouwzingen, rauwzingen en mijn dochter studeren: rechten . . . richten , . . . rache, ooh rache in my soulsolitude . . . zo sprak en dacht de generaal meisjes . . . oook een mens wij zijn allemaal mensen . . . zo zei de generaal met de ickerbokser in zijn nekspek . . . het nekspek rood en grijs van de olifant . . . Ja mon capitaine zei de docther oefese . . . dit is de NUL-fhase in de mens niet waar zo een oorlog, we kunnen als het afgelopen is weer allen kanten op . . . toch wel heerlijk al kost het offers . . . mijn vader slaapt soms niet van de offers de hij moet brengen, wilt u geloven, mon capitaine . . .
— Was ze verliefd op je. lieve Hamilcar? . . .
— ledereen was verliefd op me, lieve meisjes . . . ik elephantosis riante. . .
een ernstig schutter was ik . . . en zij de bacchanten die alles minden in het nulpunt waaarover de lieftallige Oefese sprak met haar stem van zijde rupsen . . . mijn grootvader was een grote moerbijboom zij zei mij vertrouwelijk na het mertrouwelijk drinken van enige coctails ooo tail mia mij bene . . .
— Haar bene ? ! ? . . .
— Ja lieve meisjes . . . voorloopstertjes van de zoeven afgedraaide bene-
luxen van het radiostation . . . Niettemin . . . o min, o min mij sprak Oefese die meer princes werd . . . haar vader zakte af . . . Hij houdt van een afzakkertje, zei Oefese . . . zie, zie . . . en ik zag de nikkers hem neer boksen en het bloed uit zijn ogen springen en ik lachte en zei hij zakt af weg en uit . . . Grommeri,ommeri dacht ik en aaide de slurf van mijn olifant . . .
en ik weet het: nu lachen die meisjes, eindeloos en loos lachen van het onbegrip en de tip van de sluier in de hand houden en niet oplichten om het water te zien dat leven heet, het heet leven en smartdroeven in het uniformsnoeven van de traantailen. Zeker twee en veertig trailers slopen dien nacht de woestijn door, het hete zand aan hun poten gromde . . . reppoten, rappoten voor de rapporten aan de dronken generaal en ze snuevelden allemaal . . . moorhunde ! blutschunte ! byehard of heartsdying ! ach meisjes haal de waanjaloesien neer en vraag vergeving voor het nietgrootzijnzingen ! er dansen quadrilles dolora en jullie ogen en je weet het niet . . . de generaal wist het ook niet en oefese niet en de vrouw niet, want de katten sponnen hun ziel dicht en het lijf begone te leven . . . o mij tail bene. . .
en dan zijn er de zes en twintig letters die zich kunnen vermenigvuldigen in het woord dat onnoembaar is en de kathedralen van licht-van-binnen-uit . . .
Denk aan de foedraal mon chèr capitaine . . .
en ik zei, ik i, ik schreeuwde: Verdomde, lieve Oefese . . . ik ben een raaar mens . . . mijn grootvader had dertien kinderen, mijn vader tien en ik zet de traditie voort . . .
oefese de schrikmin en ik milnde haar schrik want er was geen verhaal meer . .. . ze was oef ! oef ! o phase . . .
— De meisjes moeten roken ! Hier Camel en Pall Mall, lieve lange .
nietwaar toen wij ontwaakten zat ik nog op de olifant en rende de generaal O Grommeri, o grommeri door de stallen . . . een soldaten ochten symposion was juist bezig en men vloekte genot van eten de stallen door . . . en Grommeri sprak: De Heer uw God zelf zal hen voor u uit jagen en verdrijven, zodat gij hun land in bezit zult nemen, maar gij moet u naarstig toeleggen op het onderhouden en betrachten van alwat Mozes gezegd heeft . . . dat gij daarvan niet afwijkt, noch links noch rechts . . . en laat u niet in met de volken die zijn overgebleven en vermeldt en zweert niet bij de naam van hun goden. . . gij zult de Heer uw God aanhangen zoals gij tot op deze dag dedaan hebt . . .
. . . en door de stallen stonk het eten meat and vegetable hash and irish
stew . . . Read the mountain speach, the most famous speach ever held . . .
Rook toch meisjes en lach je nieren ondersteboven . . . Ik heb een vrouw gekend die een zieke nier had, en opstandige nier, een inefficient nier, zoals zij zelf zei . . . de Dokter moest iedere week een keer komen om hem aan te stampen. . .
Juist meisjes en nu lachen . . . waarom niet lachen . . . pallmallachen en kameellachen in de woestijnen zand en schip zijn, boot zijn, bloot zijn. ik zie de knieën zilngen . . . o knie dioermah en o knie ephemere over de horizonnen zang van mijn bloed . . . de bleeke, de doode, die gezondigd heeft maar de onschuld kent . . . geen van schaamte weten en niet het wetboek en de rol maar het habillistische aanruischen van duisternissen beheersing om tot de ochtend te geraken . . .
o, ik god, ik godovertollig en voltalig . . .
we zullen geen vrede kennen




from The Book I

— What ? ! . . . What ? ! . . . Hahaha . . .
— No dear girls . . . Dioermah? Poeroesjah? Ephemere?
we must never become cold, never become cold and also not hot . . . the heads cool! men! . . . for the coolies with the crocks on their head und ausradieren die dieren, und munter parieren und nie vergessen die beine . . . fallen, fallen, fallen, ein, zwei, drei und vier . . . aah beer. . . in my solitude immer bier fur die vergangenheitenanwesenheit
— Saxophones dusk fills my ears, dear girls . . . turn the radio off!
— or a bit softer !
— The radio off! . . . radio off. . . adio off!
— Precisely. . . thank you. . . well when I came off the eliphant near the
wife of the general time and space seemed to rise, we raised the glasses of the general and the daughter and the women and the eliphant and the niggers boxing a song of soul out of the trumpets rhumba and cocacola because the bliss was endless. . . Although I dismounted awhile mounting could occur again soon. . . as the general so fittingly said: everything goes its wonted way, democracy never stands still and my daughter still studies just like you . . . yes, war, mon capitain, is a necessary evil. . . and we live off it and we live off it and we live off it. . . my wife and my child, my daughter and I and all of the others, the allpeopleothers. . . but they want to too. . . yeah they want it. . . yeah they do it. . . These are the things that don’t stand still in many and boy. . . and the negro keeps singing, sootsinging, ournsinging, rawsinging and my daughter studying: law. . . aim, . . . rache, ooh rache in my soulsolitude. . . so spoke and thought the general girls. . . also man we are all people. . . so said the general with the nickerbokser in his neckfat. . . yes mon capitain said the daughter oefese. . . this is the nil-phase in man isn’t it such a war, when it’s over we’ll be able to take all directions again. . . still delightful even if it costs offers. . . my father can’t sleep sometimes because of the offers he must bring, would you believe, mon capitain. . .
— Was she in love with you, dear Hamilcar ? . . .
— everyone was in love with me, dear girls . . . I elephantosis riante. . . a
deadly shot was I. . . and they the bacchants who loved everything in the nilpoint that the sweet Oefese spoke of with her voice of silkworms. . . my grandfather was a massive mulberrytree she told me in confidence after the confidential drinking of several cocktails ooo tail mia my bene...
— Her legs ? ! ? . . .
— Yes dear girls. . . precursers of the just turned off Belgians of the
radiostation. . . Nevertheless. . . o less, o less, o love, o love me spoke Oefese who became more and more princess. . . her father came down. . . He likes a downer, said Oefese. . . see, see, and I saw the niggers box him down and the blood springing from his eyes and I laughed and said he goes down away and out. . . Grommeri, grommeri I thought and stroked the trunk of my eliphant. . .
and I know: now the girls laugh, endless and false laughter of
misunderstanding and the tip of the veil held in the hand and not lifted to see the water that is called life, it is called life and saddrift and the uniformboast of teartracks. Sure fortytwo trailers snuck through the desert that night, the hot sand at their feet growling. . . reppoten, rappoten for the reports to the drunken general and they all died. . . moorhunde ! blutschunde ! byehard of heartsdaying ! ah girls pull the delusjealousies down and ask foregiveness for the notbeinggreatsinging ! quadrilles dolora dance in your eyes and you don’t know it. . . the general didn’t know it either nor oefese nor the wife, for the cats purred their soul shut and the body began to live. . . or mia my tail bene. . .
and then there are the twentysix letters which can multiply themselves in
the word that is unnameable and the cathedrals of light-fom-inside-out. . . Think of the case mon cher capitain. . .
and I said, said I, I yelled: Damned, dear Oefese. . . I am a strange
man. . . my grandfather had thirteen children, my father ten and I continue the tradition. . .
oefese the shocklove and I loved her shock for there was no more story.
. . she was oef ! oef ! o phase. . .
— The girls should smoke ! Her Camel and Pall Mall, dear tall . . . ,
wasn’t it when we woke I was still sitting on the eliphant and running the general O Grommeri, o grommeri through the stables. . . a soldier morning symposium was under way and they swore pleasure of eating through the stables. . . and Grommeri spoke: The Lord your God himself shall hunt and drive them before you, so thou shalt take their lands to thine dominion, but you must adhere closely to the undertakings and practice all Moses said. . . that you never diverge, neither left nor right. . . and don’t be taken in by the folk who have been left and never mention or swear by the names of their gods. . . thou shalt cling to the Lord thy God as thou hast on this day. . . and throughout the stables stank the food mean and vegetable hash and irish stew. . . Read the mountain speech, the most famous speech ever held. . . Go on smoke girls and laugh your kidneys upsidedown. . . I’ve known a woman who had a sick kidney a rebellious kidney, an inefficient kidney, as she said herslef. . . the Doctor had to come once a week to thump it. . .
Right girls, and now laugh. . . why not laugh. . . pallmalllaugh and
camellaugh in the desert be sand and ship, be boat be bare. I see the knees singing. . . o knee dioermah and o knee ephemere across the horizons
song of my blodd. . . the pale the dead, who have sinned but know
innocence. . . the role but the kaballistic approaches of dusks ruling to
reach the morning...
oh, I god, I godsuperfluous and complete. . .
we will know no peace

--Translated from the Dutch by Cornelis Vleeskens



from De gestalte der stem

Ik beweeg mij nu in de gestalte der stem
die gaat in de kilieper het woord
in mijn linkerhand een gehoorapparaat
in de rechter de huid van de aarde
ik hoor de weerwraak
ik zie het slachtofferspel der geliefden
ik zet mijn hart uit in de tastende ruimte
mijn mond op het raster der angst
mijn lippen kussend de donkere gang van het leven
in de doorbraak der ogen het licht
van de architectuur van de stem
die gaat binnen de tonggeslachten
door het raamwerk der voorstellingsstromen
in het wonderlijk kristal van het zweet onzer handen
langs de denkbeeldige muur
met de poorten van in- en uitgang
over de drempel der zevende eenzaamheid mens
die bouwt in der architectuur van de stem
die staat als het dak over woorden
de zwarte zee en de huifkar der liefde
het edelkoord van het schrift der dode volken
en het breukverband der verdoofde oren
de bouwkunstige gang van de stem op aarde

dat is zei een man dat ik so licht mag worden als zeer oude
thibetanen en mij met ketenen omhang om van de aarde te
blijven om het levensbeeld van minnend maanvolk aan de
hellingen der bergen te voltooien met de naar binnen
geslagen stem der wijzen uit het duistere gat van het licht
vaarin ik woon en zeer langzaam met spelden de muren
doorboor om wederom tot de zon te geraken gaande naakt
door de eeuwige sneeuw van het bidden voor een beeld van
altaar in de omwandelende voet van het heiligdom

strelend de verlatenheid van de menselijke huid gaat de hand
van de stem
ik speel met de vingers
ik heb mij van veel ontdaan
met de worgende en strelende vingers
ik sta alleen in het huilende huis van de wind
met de verloren handschriften der dode zec
zo zout
zo ude legende
de knoros van het licht in mijn ogen
de vliegende koeken verlaten mijn handen
dat zijn de daden
om te verzachten

zij maakten daarvoor zei de man wonderlijke reliefs in de
vorm van wagenwielen en ook zo groot en de spaken waren
de paden waarop gesteld stonden de gestalten van verbeelding
die hen omringden de vlaggen, lampen en wierook en de
stemmen der lama’s waren torentjes klei de torma’s
genaamd
dit is
de cosmogenese der stem vol vreemde figuratie
over de lippen
de menselijke
de draagbalken weedom
de consoles vertrouwen
de loketten der twijfel
de hang en sluitwerken der hartkameren vrees
de windhaken der hoop
de wonderlijk formules van de eenheden uitgaande en
inkerende stem waardoor ik de dood vrees
zoals de arme vrouw die de stemmen kent soms vraagt het
geluid te stoppen of wat terug te zetten en ook de gaten der
doorgang de deuren muren en ramen
de stem die de genade niet geeft
en de gek van de mens maakt die hoort

want er zijn slechts weinigen die de stem horen
maar er zijn er de velen die haar maken

zij bouwen het schaduwtheater der verontrusting binnen de
tekenen der contemplatie en staan kinderernstig in de
wenteling van het wiel sluiten hun ogen grijpen duizelig het
speelgoed en laten het vol vrees en verwondering de blinde
vingers der daden ontglippen
en zij graven een gat voor het wiel om het te berbergen
een heilige grot
en zij slaan gade de wenteling van het wiel dat hun wereld is
en zij vrezen binnen de gekleurde samenzang die zij doen
zij zien een krampplaat vol afzondering
een hongerplafond
zij sstraffen en lachen een architraaf over alles
het kettingverband van het leven op aarde
de menselijke stem
de schreeuw uit het mangat
de atstand van iedere dag naders gemeten
waarover wij lopen wat wij kunnen
met de voeten in de epische gestalte der stem
ook ik die reed in het hart van de weerkerende vrouw van
liefde uit het land kostverloren en de buurtschap genaamd
hongerige wolf in de omslag van de versiering der blikken de
maag leeg en de maan laag onder het melkgesprek van de
sterren en zeer bewogen want ik had mij van veel ontdaan
ik woonded in de waterschoten der grachten
en in de windharp het woord
mijn hart lag op mijn handen en klopte langs de bouwputten
der huizen
ik had de wakers in slapers geplaatst binnen de vervoering
der stem
en de stem was de eenzaamheid
waarover wij lopen wat wij kunnen
met de zwijgende stenen die de nagel schrapen
tegen de stilte der stem
en ik schreef vreemde talen tegen de donkere muren
omdat kwekers bomen bouwen, zei de gelifde
en mijn stem beweegt zich door de offers
en is met open mond bewogen
temidden der mensen met de vreemde lampen geluid
leg ik de dag vast
de iedere
op het gezegelde veld der secondoen
binnen het dekblad der tijden
de bekfluit geheven tot het beeld van dit tongwerk
in de gewonde mond die de boom zal bouwen
van de ontrukte en schouwended gang van de stem
plechtig als een oerwoud
omarment het ongeziene water
de vrees in de keel der dieren
de stap en de stand van de trotse flamengo
de gevleugelde afdruk der handen gehouwen in stenen
woestijn
om dit oonaarden geslacht de draagbalk te verleggen
van de taal
de avater
de dada
de wonderboom van dit hoofdmanuall
levend in de windtrap der stamtonen
de stijgende
de dalende
de madrigale vloed der gemene namen
de mysterie-stand van de stem
het onder-en-boven-ding
mijn koelemansoog geheven
mijn zon-en-regelkeel
de wonderlijke kiel van dit schip gekanteld op aarde
de romp van deze schelp is doorzichtig
de traanbouw het heelal van het hart
het oor het omvamend karkas
boven het ontoereikende doen van de handen
het beeld van de gestoorde
ik in mijn stem
die de klank naboots
ik lig aan de kust en luister
in de verschrikkelijke greep der aanwezigheid
een zwarte paus
een lichtridder
een fabelfontein
van het modderband van de menselijke stem


(from De gestalte der stem, 1957)



from The Shape of the Voice

I now start moving in the shape of the voice
which goes into the chill-twill the word
my left hand holds a hearing aid
in the right one rests the skin of the earth
I can hear the revenge
I can see the lovers’ victim-making game
I set my hear out into the groping spaces
my mouth upon the lattice of distress
my lips kissing the dark passage of this life
in the breakthrough of the eyes the light
of the voice’s architecture
which enters the tongue’s generations
through the frame of the streams of representations
in the marvelous crystal formed by the sweat of our hands
along the imaginary wall
with the portals of passage in and out
across the threshold of the seventh solitude man
who builds with the architecture of voice
which rests as the roof over words
the black sea and the covered wagon of love
the magnifichord of the scriptures of extinct peoples
and the truss for the rupture of the deafened ear
the architectonic passage of the voice upon earth

that said a man is so that I can become as light as very ancient
Tibetans and hang chains around myself so as to remain being
of this earth so as to complete the life-image of loving moonpeople
upon the slopes of the mountains turning within with the voice of the
wise out from the dismal hole of the light I am living in and
little by little perforate the walls with pins so as to get to the sun once
against going naked through the eternal snows of the praying for an
image of an altar in the perambulating foot of the sanctuary

the hand of the voice moves to caress the human skin’s
forsakenness
I play with the fingers
I have stripped myself of many things
with the strangling and fondling fingers
I stand alone in the howling house of the wind
with the lost manuscripts of the Dead Sea
so salty
such an ancient legend
the knoros of the light in my eyes
the flying hot cakes abandon my hands
those are the deeds
that see to relief

to achieve that said the man they carve marvelous reliefs in the form
of wagon wheels and so very large at that and the spkes were the
paths whereon were placed the shapes of the imagination that
surrounded them the banners, lamps, and incense and the lamas’
voices were little towers of clay called tormas
this is
the cosmogenesis of the voice full of strange figuration
crossing over the lips
the human
the crossbeams of woe
the consoles of confidence
the counters of doubt
the fasterners of the ventricles’ fear
the windhooks of hope
the wondrous formulas of the unities going out and coming in
to hear the voice through which I feel the fear of death
like the poor woman who knows of the voices sometimes asks
the sounds to stop or to set back a little and also the holes of
passage the doors walls and windows
the voice that knows no mercy
and drives whoever has heard it crazy

for there are only a few who do hear the voice
though there are the many who form it

they build the shadow-theater of the consternation within the
designing of the contemplation and stand as earnest as children
in the rotation of the wheel close their eyes dizzily grasp the
toy an fully awed and amazed let it slip from the blind
fingers of the deeds
and they dig a hole for the wheel so as to conceal it
a holy grotto
and they watch the rotation of the wheel that is their world
and they are afraid within the colored community singing which they perform
they see a cramp iron full of isolation
a ceiling of starvation
they castigate and laugh an architrave over everything
the concatenation of life on earth
the human voice
the shout from out of the manhole
the distance of every day measure in a different way
over which we walk what we can
with the feet in the epical shape of the voice
also I the one who rode in the heart of the returning woman of love
from the county called Lost Board and the town named Hungry Wolf
on the cover decoration of books cans looks glances the belly empty
and the moon low below the galactoconvesation of the stars
and verily moved because I had stripped myself of many things
I lived in the waterlaps of the canals and in the windharp of the word
and heart lay upon my hands and thumped along the diggings
for the houses
I had placed the wakers and the sleepers in the transport of
the voice
and the voice was loneliness
over which we walk what we can
with the silent stones that scrape the nail
against the stillness of the voice
and I write foreign languages against the dark walls
because growers raise trees, said the sweetheart
and my voice makes its way via the sacrifices
and is moved by open mouth
in the midst of the people with the sound of alien lamps
I fasten down the day
the every day
upon the sealed field of the seconds
inside the wrapper and bract of the times
the fipple flute lifted up to the image of this reed tongue
in the wounded mouth which the tree is going to build
from a snatched and contemplating passage of the voice
majestic as the jungle
embracing the unseen water
the fear in the animals’ throats
the stride and the stance of the proud flamengo
the wingèd imprint of the hands hewn in stone
desert
so as to shift the tonalities generation the crossbeam
of language
the avatar
the dada
the wondertree of this head-manual
living in the windladder of keynotes
the ascending
the descending
the madrigalian flood of the common names
the mystery-city of the voice
the sub-and-super thing
my cool man’s eye raised up
my throat pilot-and-sun light
the wondrous keep of this ship capsized upon earth
the hull of this scallop is transparent
lacrymaculture the universe of the heart
the ear the circimvamping carcass
the inadequate action of the hands up there
the picture of the disturbed
I in my voice
the one who imitates the sound
I lie down at the coast and listen
in the terrifying clench of the presence
a black pope
a knight o flight
a fable fountain
of the mudbath of the human voice


--Translated from the Dutch by Charles McGeehan



from Een broek voor een octopus

DE ADEM EN DE RUIMTEN VAN HET WOORD


If I hammer, if I recall in, and keep calling in, the breath, the breathing as
distinguised from the hearing, it is for cause, it is to insist upon a part that breath plays in verse which has not (due, I think, to the smothering of the power of the line by too set a concept of foot) has not been sufficiently observed or practice, but which has to be if verse is to advance to its proper force and place inthe day, now, and ahead.

Charles Olson, Projective Verse

omdat de mens ademt...
omdat hij ademt kent hij ritme
omdat het bloed in zijn aderen klopt
omdat hij in stroomversnellingen leeft
omdat bloed kan stollen
omdat hij kan hijgen
kan stamelen
omdat hij woedend is vloekt hij stakkato
zucht hij
omdat hij kan dansen laat hij woorden dansen
omdat hij zich ergert gromt hij
omdat hij zich verbaast zwijgt hij
omdat hij uit rtime geboren werd ken hij ritme
ritme is hem ingeschapen
ritme is onontkoombaar
ademend ademt hij ritmen
omdat zijn eerste geluid een schreeuw was, een snik
omdat hij snikt en schreeuwt kent hij ritme
omdat de adem in zijn keel kan stokken
omdat hij kan praten, fluiten, huilen, flemen, keuvelen,
leuteren, zwigjgen, stotteren
omdat hij één bal uitdijende beweging is
is adem
is stem
is ritme
hem aangeborne...

‘Verse now, 1950 (Amerikaanse vijftiger, internationaal in
de lucht) if it is to go ahead, if it is to be of essential use,
must, I take it, catch up and put into itself certain laws and
possibilities of the breath, of the breathing of the man who
writes as well as of his listenings.’

leven zien en doorstaan in ademsvormen
in ritmische eenheden stem
gestalten van stem
die de syntaxis doorsníjden
de vastgestelde eenheden
de voorgeschreven adem
de tocht van de adem ‘vrijer’ verdelen
vormen versnijden en samenvoegen
burcn die elkaar niet kenden
de adem verdeelt zich op nieuwe ritmen
één schreeuw van emotie dekt het moment
uitgerust met beweging
zijn ogen, zijn handen, zijn voetne, zijn buik
en alles adem
de figuren die wij denken
beelden van uitrusting
niet rusten
dan in de stamel
en vorm is nooit meer dan een uitbreiding van inhoud
no zegt Olson
de dichter aan het werk is een verwachting
hij reconstrueert kwasi mechanismen die hem in staat steelen
hem de energie terug te geven die ze hem kostten en meer
zegt Valéry
zijn oor spreekt tot hem
horen is praten
spreken is horen
want adem laat al de stem-kracht van de taal weer toe
maakt haar hoorbaar
hoorbaar doorbreekt zij de barrières
grammaticale overleveringen
hoorbaar is zij actie
de bloedsomloop van de maker
in hoorbare vormen
hoorbaar tot teken

..........................................................

wij bewegen ons weer in de gestalte der stem
de bewegende vormen het woord
bloot staat hij aan beweging, inval, interval, interventie en
inventie
bloot aan het ritme dat hij moet regelen
dwz wederom bestrijden
paard en draf en berijder
tegendraads bewogen
beweegt zich de schaar en knipt
uiteen
aaneen
nieuwe ruimten van beweging
want de taal is de gehele mens en al zijn mogelijkheden
lopen en deanse, zegt Valéry, is proza in poëzie.
het ene proza het andere poëzie
maar er zijn meer gebaren van taal
de korte de lange de omhelzende de verzwelgende
de terugkerende de heengaande de komende
de schaduwende de lachende snikkende
de onderbroken de verbindende
de verbrekende de herkende
de onherkende samen één in de éne beweging mens
de stotterende stamelende
in zijn zee van gebaren
een nieuwe dramatiek van doorsneden
incanterende golf kracht
brekende branding
de duizenden gebaren van taal
de parende de schreeuw
en jiel loskomen
maar één verschijnsel van ruimere werking
van heden
geen
plein
geen
vrees
maar
het perpetuum variable
op de grondtoon
tot op de grond van vroeger
NU
de adem van allen

..........................................................................

de taal als zelfbeweger
de taal die gehoord wordt
de taal de gesproken wordt
vrijgeven aan zichzelf
aan de formaties
die zij uit zichzelf kiest
betekent: de vrijheid een stem geven
de stem befrijden
de adem een huis bouwen


(from “De adem en de ruimten van het woord,” Een broek voor een octopus, 1965)




from Pants for an Octopus

THE BREATH AND THE SPACES OF THE WORD

If I hammer, if I recall in, and keep calling in, the breath, the breathing as
distinguised from the hearing, it is for cause, it is to insist upon a part that breath plays in verse which has not (due, I think, to the smothering of the power of the line by too set a concept of foot) has not been sufficiently observed or practice, but which has to be if verse is to advance to its proper force and place inthe day, now, and ahead.

Charles Olson, Projective Verse


because man breathes...
because he breathes he knows of rhythm
because blood pulses through his veins
because he lives in the river’s rapids
because blood can curdle
because he can pant, gasp, stammer
because enraged he swears staccato
he sighs
because he can dance he lets words dance
because he distrubs he snarls
because he wonders he falls silent
because he was born out of rhythm he knows rhythm
rhythmis innate to him
rhythm is inescapble
in breathing he breathes in rhythms
because his first sound was a scream, a sob
because he sobs and screams and gasps he knows rhythm
because the breath can catch in his throat
because he can talk, whistle, howl, cajole, babble,
blabber, shut up, stutter
becuase in all he’s a ball of swelling motion
his breath
his voice
his rhythm
are native to him...



‘Verse now, 1950 (the American 1950s, in the light of the
international) if it is to go ahead, if it is to be of essential use,
must, I take it, catch up and put into itself certain laws and
possibilities of the breath, of the breathing of the man who
writes as well as of his listenings.’

living seeing enduring in forms of the breath
in rhythmic unities voice
shapes of the voice
that intersect the syntax
the established unities
the breath of prescription
distribute the draft of breath in a “freer” way
cut forms up and join them together
neighbors who hand’t known one another
the breath apportions itself now upon new rhythms
one scream of emotion blankets the moment
outfitted with motion
his eyes, his hands, his feet, his belly
and all is breath
the figures we think in, think up
equip-mental images, verbo-sonic outfitting
yet as such mostly mere quibbles or quips
unfit to quell the stammer
and form is never more than an extension of content
says Olson
the poet at work is an expectation
he reconstructs quasi-mechanisms which get him ready for the
restoration of the energy it has cost him and more than that
says Valéry
his ear speaks to him
hearing is talking
speaking is hearing
as breath releases all the power of language again
makes it audible
hearable it breaks through all the barriers
grammatical traditions
hearable it is action
the circulation of the creator’s blood
in audible form
hearable until a symbol

................................................................

we get moving again in the shape of the voice
it’s the movers who form the word
uncovered he works within the movement,
in motion—invasions, intervals, intervention
and invention
bared to the rhythm he has to regulate
to get and keep a good move on
that is, battle with now and again
the horse and the trot and the rider
moved against the grain
the pair of shears move together—as one
new spaces of and by motion
as language is the whole man and all his possibilities
walking and dancing, says Valéry, is prose and poetry
one that’s prose the other one’s poetry
yet more are the many gestures of language
the Short the Long the Embracing the Engulfing
the Returning the Outgoing the Coming In
the Shadowing the Laughing, Gasping
the Interrupted the Interconnecting
the Interruptive the Identifying
the Unrecognizing, together, one in the single motion Man
the stuttering stammering one
in his sea of gestures
a new dramatics of cross-sections
incantatory wave force
shattering surf
the thousands of gestures of language
the coupling the scream
and not taking or getting off, or getting let or letting go
but one phenomenon of ampler effect
of today
nor agora
nor phobia
it is the perpetuum variable
upon the keynote
upon the fundamental tone that resounds
till onto the ground of the earlier on
NOW—the breath of one and all

.......................................................................................

language is self-mover
language that gets heard
language that is spoken
released unto itself
unto the formations
that it selects out of itself
reveals through the signs—to give freedom a voice
liberate the voice
build the breath a house


Translated from the Dutch by Charles McGeehan



from De deur


de dood, zei Remco
is een ontroering
ik weet nu beter
de dood is eenklap
gieren van remmen
gerinkel van glas
en doodstil liggen
op straat
alleen
de dood is rood
en stil
je laatste woord
nog in mijn oor
dat is dood

de dood zei remco
is een ontroering
ik ben ont-roerd

in de nacht
en overdag
roep ik je terug
en sta je dan op?
uit het graf
waarop staat
ontwaakt uit de droom
ontwaakt! uit de droom
van het leven
staat er

zo is het
dat ik me schaam
dat ik nog leef
en mij schaam
en verder leef
en mij soms schaam

..........................................................

je begrijpt
het eerste ogenblik
geloof je het niet
als iemand valt
staat ie weer op
dat geloof je
het eerste ogenblik
mijn oog
en blik

naast je stond je tas
rechtop
en het boek van de ANWB
open op Eerste Hulp bij Ongelukken
je begrijpt
het eerste ogenblik
geloof je het niet

en in je tas
rechtop naast je
zat mij bril
één glas stuk
het rechtse
mijn oog
het rechter
was blauw

..................................................................

als ik tafe zeg
of Aladdin
zeg ik jou
als ik vuur maak
zeg ik huis
zeg ik jou
also ik ja zeg, nee zeg
kom zeg, eet zeg
op reis zeg
hier of daar zeg
waar wij al niet waren
zeg
zeg ik jou
wat ik ook zeg
of niet zeg
zeg ik jou

....................................................................

kijk
als mensen zijn wij
zo oud
dat wij
de ervaring van eeuwen
(onze opbouw)
haast niet vatten
(van wege het grote vergeten)
en vaak niet willen

terwijl toch:
(en daardoor)
wij zo leven
en daarom de droom
vaak groter is
dan het wakende leven
zodat de verstorven
woorden en de daden
zich nooit verwezenlijkten

.................................................................

het verdriet is
de verwerking van
een wonde
der erkenning van
een heling

.................................................................

vogel zingt
tak breekt
vogel valt
vogel vliegt
vogel zingt

.................................................................

de deur

een deur is open
of dicht

een deur die open is
is een gat naar
de ruimte

een deur die dicht is
deel van de muur
begrenst de ruimte

als ie beweegt
is ie eend deur

zo ben ik
een deur


(from De deur, 1974)




from The Door

death, said Remco
is an emotional stir
now I know better
death is a smack
jamming brakes screeching tires
clattering glass
and lying dead-still
on the street
alone
death is red
and still
your last word
still in my ear
that is dead

death said Remco
is an emotional stir
I cannot steer, rudderless now

at night
and during the day
I call you back
and do you then arise
out of the grave?
on which is inscribed
Awken from the dream
Awaken!—from the dream
which life is
says the inscription

such is life
that I feel ashamed
that I’m yet alive
and am ashamed
and go on living
and sometimes I’m ashamed

................................................................

you know
that first eyeful
you don’t believe it
when someone falls
he stands up again
that’s what you believe
that first eyeful
it’s awful

your handbag was lying upright
beside you
and the Touring Guidebook
lay open at the First Aid section
you know
that first eyeful
you don’t believe it

and in your handbag
upright beside you
were my eyeglasses
one glass broken
the right eye
my eye
the bruised one
was blue

..............................................................................

if I say table
or Aladdin lamp
I say you
if I make a fire
I say house
I say you
if I say yes, say no
say bowl, say eat
say traveling
say here or there
wherever we’ve been
I say
I say you
whatever I say
or don’t say
I say you

.............................................................................

look
as humans we are
so ancient
that we almost
cannot contain
(due to the Great Forgetting)
the experience of ages
(our buildings up)
and often don’t want to

meanwhile we do
(and thereby)
live that way
and therefore the dream
is often greater
than our waking life
so that the lifeless
words and the deeds
never realize themselves

..........................................................................

grief
is the metabolizing of
a would
the acknowledgment
of a healing

...........................................................................

bird sings
branch breaks
bird falls
bird flies
bird sings

............................................................................

the door

a door is open
or closed

a door that’s open
is a hole toward
space

a door that’s closed
part of the wall
marks off space

if it moves
it is a door

so I am
a door


Translated from the Dutch by Charles McGeehan


Het oor

in het zachte oor van de ezel
valt de avond
in de muren de rest
van de zon

valt de schaduw langer
en langer
in het trage gebaar
van de rijzende duisternis


(from Formentera, 1984)



The Ear

Into the donkey’s soft ear
the evening falls
on the walls the rest
of the sun

the shadow stretches longer
and longer
into the slow coil
of night’s rising still


Translated from the Dutch by Douglas Messerli


___
PERMISSIONS

“from The Book I,”
Reprinted from Naked Poetry: Dutch Poetry in Translation, translated by Cornelis Vleeskens (Melbourne: Post Neo Publications, 1988). Reprinted by permission of the translator

“from The Shape of the Voice,” “from Pants for an Octopus,” and “from The Door”
Reprinted from Peter Glassgold and DouglasMesserli, eds., The PIP Anthology of World Poetry of the 20th Century, Volume 6: Living Space/Poems of the Dutch Fiftiers (Los Angeles: Green Integer, 2005).

“The Ear”
©2005 by Douglas Messerli. Reprinted by permission of the translator.

No comments: